Frank Wijering , 23 februari 1965 geboren in Losser.
Sinds 1985, met uitzondering van een paar uitstapjes links en rechts, woonachtig in Enschede, samen met Margot (44), Sterre (12), Verle (10) en Eva (6). In het dagelijks leven docent op Saxion, academie Mens en Maatschappij.
Dichter sinds ik me bewust werd dat er een wereld bestaat, los van mij (ik moet een jaar of vier zijn geweest): die kloof moest weer gedicht worden! En weer gedicht! En weer gedicht!
Motto:
Er is altijd veel meer
dat ik niet weet
dat wel.
Iedere dag opnieuw ben ik oprecht blij dat er woorden bestaan en dat ik ze vrij mag gebruiken!
Genomineerden:
Marie-Gabrielle Manche
Moes Wagenaar
Frank Wijering
De drie genomineerden hebben elk twee gedichten ingezonden, daaruit heeft de jury unaniem één gedicht gekozen als het winnende stadsgedicht 2009.
Het winnende gedicht is een vrij vers dat bestaat uit vijf strofen met elk vier regels van ongelijke lengte. Na elke strofe volgt een enkel woord of een enkele zin die steeds uit slechts twee lettergrepen bestaat. Het gedicht maakt speels gebruik van rijm (bestand, rand, buitenland; schrik, ogenblik), maar kent geen vast rijmschema. Toch is het wel degelijk een strak vormgegeven gedicht, dat de hand van een ervaren dichter verraadt.
Een herkenbare alledaagse gebeurtenis staat centraal: een man met hoogtevrees maakt met zijn dochter een ritje in het reuzenrad naast de Grote Kerk in Enschede. Een bekende en al vaak bezongen plek in Enschede, maar het reuzenrad biedt nieuwe perspectieven. Want dit eenvoudige uitgangspunt vormt de basis voor bespiegelingen over tijd, ruimte, leven én dood, op buitengewoon vernuftige wijze met elkaar verweven.
Het reuzenrad biedt niet alleen uitzicht op de stad Enschede, maar ook op het verleden van de stad en de voortschrijdende tijd, heel letterlijk zelfs, want het reuzenrad scheert rakelings langs de klok van de kerk. Van een grote hoogte ziet de stad er onverwacht anders uit, alsof het een buitenlandse stad is. Dat buitenland is hier natuurlijk ook heel letterlijk: Duitsland ligt immers in het zicht.
De vader wordt op het hoogste punt weer geconfronteerd met zijn hoogtevrees (“daar gaat je laatste ogenblik”), maar het rad draait al weer omlaag, “langs de grote brand / en de vuurwerkramp en meer / geschiedenis die gaten slaat”.
En omhoog weer, waar naast de torenspits opeens de geest van Willem Wilmink jubelt en uit zicht fladdert. Wederom maakt de dichter daarbij behendig gebruik van de twee betekenissen die het gesproken “uitzicht” heeft: ‘uit het zicht verdwijnen’ en ‘datgene waar men op uitkijkt’. Mooi is ook hoe de dichter de (doods)angst van de vader in de eerste strofe aan de wil van de dochter ondergeschikt maakt en aan slot ironiseert door de (fictieve) opmerking van een dode dichter: “Noem je dit hoog?” Als we sommige psychoanalytici moeten geloven en hoogtevrees niets anders dan doodsangst is, dan vindt een dichter die echt dood is immers niets meer hoog.
De vormbeheersing van de dichter blijkt opnieuw wanneer we de losse woorden na elke strofe achter elkaar plaatsen; dan blijkt dat het gedicht als het ware een tweede gedicht in zich herbergt: de losse woorden vormen tezamen een beschrijving van de essentie van een tochtje in een reuzenrad, de centrale gebeurtenis in het gedicht: “we gaan alleen omlaag omhoog uit zicht”.
De vormbeheersing, het spelen met meerdere betekenissen van woorden, het op knappe wijze verbinden van verschillende thema’s én het plaatsen van een duidelijk herkenbare plek in Enschede in een nieuw en origineel licht, hebben de jury doen besluiten dat het winnende gedicht is ‘Reuzenrad met uitzicht’, geschreven door Frank Wijering.
Ik durf niet goed
maar tegen dochters
is uiteindelijk niks bestand
laat staan mijn angst voor hoogte, dus
we gaan
In het reuzenrad lijkt Enschede
wel een Echte Stad, zo ver keek
ik nog nooit, zo over de rand
is het bijna buitenland
alleen
de klok van de ouwe kerk
is zo dichtbij dat ik schrik
de wijzers tellen af:
daar gaat je laatste ogenblik
omlaag
langs de grote brand
en de vuurwerkramp en meer
geschiedenis die gaten slaat
in het verdwijnend nu
omhoog
waar naast de torenspits plots Wilmink
op vleugels aan komt zweven
“Noem je dit hoog?” roept hij en fladdert
jubelend met het laatste woord
uit zicht.